Onze stichter, mgr. Joannes Zwijsen, werd op 28 augustus 1794 geboren in een molenaarsgezin in Kerkdriel, gelegen in de Nederlandse provincie Gelderland. Van 1832 tot 1842 was Zwijsen pastoor van de parochie 't Heike in Tilburg. Mgr. Zwijsen was geraakt door de concrete noden van zijn parochianen. Daarom stichtte hij twee congregaties: de Zusters van Liefde (1832) en de Broeders van Tilburg (1844). Het doel van beide congregaties was zich te wijden aan onderwijs en gezondheidszorg ten behoeve van de armen en gemarginaliseerden in Tilburg.


Mgr. Zwijsen stichtte de Congregatie van de Zusters van Liefde met drie begijnen uit het kleine Belgische stadje Hoogstraten. Zij begonnen hun werk in een klein huis aan de Piusstraat in Tilburg. Hun tweede huis, waarvan de gevel nog steeds bestaat, staat bekend als „het huis met de 13 cellen“.
Moeder Michael Leysen werd de eerste algemene overste van de congregatie. Het was de bedoeling van Zwijsen om niet meer dan dertien zusters tot zijn congregatie toe te laten. Vanwege de grote vraag naar hulp op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg moest hij dit idee echter al snel loslaten. Hij stemde in met een uitbreiding van zijn congregatie. Toen monseigneur Zwijsen op 16 oktober 1877 overleed, telde de congregatie ongeveer 1500 leden en had zij zich buiten de Nederlandse grenzen uitgebreid naar België (1840), Engeland en Wales (1861) en de Verenigde Staten van Amerika (1874).

Onze missie is om Gods barmhartigheid zichtbaar te maken door middel van zorg en dienstbaarheid, in het bijzonder aan de armen, de onderdrukten en de kwetsbaren.
Met momenteel in totaal 380 zusters streven wij ernaar een verschil te maken in het leven van mensen in nood in Nederland, België, het Verenigd Koninkrijk en Ierland, Brazilië, de Verenigde Staten, de Filippijnen, Indonesië en Oost-Timor.
Wij delen in de missie van barmhartigheid en erkennen en ondersteunen van ganser harte onze geassocieerde leden die geroepen zijn om het evangelie te beleven in de geest van liefdevolle mededogen en barmhartigheid.
Beleid inzake bescherming weerlozen